
Snel antwoord: wat is er veranderd?
Preferente aandelen zijn sinds 1 januari 2026 wettelijk omschreven als aandelen met voorrang ten aanzien van de winstverdeling of de liquidatieopbrengsten (art. 35c, twaalfde lid, SW 1956 en art. 4.17a, veertiende lid, Wet IB 2001).
Nieuw is dat een aandeel ook gedeeltelijk preferent kan zijn. Dat werkt twee kanten op: meer aandelen raken de definitie, maar het niet-preferente deel blijft in aanmerking komen voor de BOR en de DSR.
Inhoud
Sinds 1 januari 2026 staat voor het eerst in de wet wat een preferent aandeel is: aandelen met voorrang ten aanzien van de winstverdeling of de liquidatieopbrengsten. Dat lijkt een technische ingreep, maar de gevolgen kunnen groot zijn: preferente aandelen komen in beginsel namelijk niet in aanmerking voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet (BOR) en de doorschuifregeling voor aanmerkelijkbelanghouders (DSR).
Hieronder zetten wij uiteen wat er precies is gewijzigd, wanneer sprake is van ‘voorrang’, waarom aandelen tijdens de rit van kleur kunnen verschieten, en wat je nu kan vastleggen als een bedrijfsopvolging in beeld is.
1. Wat is er per 1 januari 2026 veranderd?
De BOR en de DSR sluiten preferente aandelen in beginsel uit. De achterliggende gedachte is dat de houder van preferente aandelen eerder een financier is dan een ondernemer, en dat de faciliteiten zijn bedoeld voor de overdracht van ondernemingen. Alleen preferente aandelen die zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging kunnen onder voorwaarden meelopen.
Wat tot 2026 ontbrak, was een wettelijke definitie. De parlementaire geschiedenis bevatte twee omschrijvingen die niet met elkaar te rijmen waren. In de ene ging het om aandelen die uitsluitend recht geven op een al dan niet cumulatief vast dividend en niet delen in de waardeontwikkeling. In de andere was ieder aandeel preferent dat niet volledig deelt in de winstreserves en liquidatieopbrengsten. De Belastingdienst heeft die spanning in juli 2024 opgelost met een eigen beoordelingskader, waarin de uitleg naar spraakgebruik in negen punten werd uitgewerkt.
Sinds 1 januari 2026 kent de wet wel een definitie, in art. 35c, twaalfde lid, SW 1956 en in gelijkluidende bewoordingen in art. 4.17a, veertiende lid, Wet IB 2001: preferent zijn aandelen met voorrang ten aanzien van de winstverdeling of de liquidatieopbrengsten. Voor de gevolgen binnen het aanmerkelijk belang en box 2 is diezelfde definitie dus relevant.
2. Wat betekent het dat een aandeel gedeeltelijk preferent kan zijn?
Kent een aandeel slechts voor een deel van het daaraan verbonden vermogen voorrang, dan geldt alleen dat deel als preferent aandeel.
Onder het oude regime was een aandeel preferent of niet, en viel het bij die kwalificatie in zijn geheel buiten de faciliteiten. Die alles-of-niets-benadering is losgelaten. Over het niet-preferente deel kan de BOR gewoon worden toegepast. Onder het aan het aandeel verbonden vermogen vallen daarbij zowel het kapitaal als de reserves, waarbij tot het kapitaal het formeel gestorte kapitaal, het agio en het informeel kapitaal behoren.
3. Wanneer is sprake van voorrang?
De beoordeling vindt plaats vanuit het aandeel zelf en berust op de statuten in combinatie met de feitelijke situatie. Twee soorten aandelen met identieke statutaire bepalingen kunnen daardoor verschillend uitpakken, bijvoorbeeld wanneer alleen de ene soort feitelijk een agioreserve heeft waarover met voorrang een primaire vergoeding wordt betaald. De wetgever heeft dit toegelicht aan de hand van een reeks voorbeelden.
| Situatie | Uitkomst |
|---|---|
| Aandelen A: nominaal € 100.000 met een voorrangsvergoeding van 2%; de volledige restwinst gaat naar aandelen B | Preferent, ongeacht de hoogte van de winst |
| A en B elk nominaal € 100.000; A daarnaast een statutaire agioreserve van € 1 miljoen met een voorrangsvergoeding van 5% | Preferent voor het deel dat aan die agioreserve is toe te rekenen |
| Dezelfde opzet, maar met een agioreserve van € 1.000 | Niet preferent; de afwijking is te gering |
| Gelijke statutaire bepalingen, maar alleen A heeft feitelijk een agioreserve waarover met voorrang wordt uitgekeerd | Preferent |
| A en B elk nominaal € 100.000 zonder agio; het nominale kapitaal van A wordt bij liquidatie met voorrang uitgekeerd, terwijl de winstverdeling de nominale waarde volgt | Preferent vanwege de voorrang bij liquidatie |
De laatste situatie verdient aandacht, omdat zij laat zien hoe ver de verschuiving reikt. Precies dit voorbeeld staat ook in het beoordelingskader van de Belastingdienst uit 2024, en daar luidt de uitkomst dat de aandelen A niet preferent zijn: zij delen immers volledig mee in de winst. In de toelichting bij de nieuwe definitie leidt hetzelfde feitencomplex tot de tegenovergestelde conclusie. Volledige winstgerechtigdheid is geen tegenindicatie meer; de voorrang geeft de doorslag.
Wie zijn structuur ooit heeft laten toetsen aan het kennisgroepstandpunt, kan daar dus niet zonder meer op blijven varen.
4. Hoe hard is het criterium dat de voorrang wezenlijk moet zijn?
Volgens de parlementaire toelichting en het kennisgroepstandpunt moet de voorrang binnen de aandelensoort van wezenlijke betekenis zijn: een geringe afwijking ten opzichte van het niet-preferente kapitaal leidt niet tot de kwalificatie preferent. Dat is de reden waarom een agioreserve van € 1.000 naast een nominaal kapitaal van € 100.000 in het derde voorbeeld hierboven buiten schot blijft.
Die drempel is in de wettekst zelf niet terug te vinden. Art. 35c, twaalfde lid, SW 1956 bevat de definitie en de regel voor gedeeltelijke preferentie, en verder niets. Het wezenlijkheidsvereiste berust dus op de toelichting en op beleid, niet op de wet. In de praktijk betekent dat: bij kleine verschillen is er ruimte, maar reken er niet op dat een verschil van enige omvang zonder discussie wordt weggestreept.
5. Kunnen jouw aandelen preferent worden zonder dat je zelf iets doet?
Ja. Of aandelen voorrang kennen, hangt sterk af van de verhouding tussen de agio- en winstreserves van de ene soort en die van de andere. Die verhouding kan verschuiven door een handeling van een medeaandeelhouder.
Het schoolvoorbeeld: twee vennoten brengen hun onderneming in een BV in en krijgen ieder een eigen soort letteraandelen met gelijke nominale waarde en gelijk agio, zodat elk zijn eigen dividendpolitiek kan voeren. Zolang beide soorten gelijk optrekken, is er geen voorrang. Keert de BV vervolgens aan de ene vennoot dividend uit en betaalt zij hem een deel van zijn agio terug, dan houdt de ander een grotere agio- en winstreserve over. Vanaf dat moment wordt aan zijn aandelen meer winst toegerekend dan zijn aandeel in het nominale kapitaal doet verwachten, en zijn die aandelen voor dat verschil preferent geworden. De vennoot die zelf niets deed, ziet zijn aandelen gedeeltelijk buiten de faciliteiten vallen.
De Belastingdienst onderkent dat het karakter van een aandeel gedurende zijn bestaan kan wijzigen. Het beoordelingskader vermeldt uitdrukkelijk dat een latere agiostorting alsnog tot de kwalificatie preferent kan leiden, en dat het naderhand gelijktrekken van het agio er juist toe kan leiden dat vanaf dat moment geen sprake meer is van een preferent aandeel. De toets zelf vindt plaats op het moment van de verkrijging.
6. Wat betekent dit tijdens de bezits- en de voortzettingstermijn?
De combinatie van de werking van de bezits- en voortzettingstermijn en preferente aandelen kan in de praktijk leiden tot de grootste financiële risico’s.
De voortzettingstermijn
De BOR wordt voorwaardelijk verleend. Voor verkrijgingen vanaf 1 januari 2025 bedraagt de voortzettingstermijn drie jaar; voor eerdere verkrijgingen nog vijf jaar. Art. 35e, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, SW 1956 bepaalt dat niet aan het voortzettingsvereiste is voldaan als de verkregen vermogensbestanddelen worden omgezet in preferente aandelen, of als de aanspraak op toekomstige winsten of waardeontwikkelingen op andere wijze wordt beperkt, al dan niet via uitgifte van vermogensbestanddelen. De Kennisgroep past dit ook toe op de uitgifte van nieuwe aandelen aan een derde binnen de termijn.
Wordt de vrijstelling ingetrokken, dan gebeurt dat naar evenredigheid. Van een gebeurtenis die het voortzettingsvereiste raakt, moet binnen acht maanden aangifte worden gedaan (art. 35e, achtste lid, SW 1956).
De bezitstermijn
Aan de andere kant van de transactie geldt de bezitseis van art. 35d SW 1956: één jaar bij overlijden, vijf jaar bij schenking, met verlenging voor schenkers en erflaters ruim boven de AOW-leeftijd. Sinds 1 januari 2026 geldt bovendien dat voor een uitbreiding van het subjectieve belang tijdens de bezitsperiode voor dat deel een nieuwe bezitsperiode aanvangt. Of de bedrijfsopvolger voldoet aan de eis dat hij al voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal houder is van gewone aandelen, wordt beoordeeld naar het moment waarop hij de preferente aandelen verkrijgt.
7. Wat is juist níét ingevoerd?
Bij de nieuwe definitie hoorde een tweede maatregel: beperking van de toegang tot de BOR en de DSR tot gewone aandelen met een belang van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal, met uitsluiting van onder meer winstbewijzen, opties, lidmaatschapsrechten van een coöperatie en tracking stocks. Die maatregel is aangenomen, maar treedt pas in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Praktisch gevolg: winstbewijzen, opties en kleine soortbelangen kwalificeren op dit moment nog wel, en tracking stocks zijn nog niet uitgesloten. Dat is een tijdelijke situatie waarvan de houdbaarheidsdatum niet vaststaat.
8. Onze analyse
De wetgever heeft de definitie verduidelijkt en de reikwijdte ervan juist onzekerder gemaakt. Het begrip voorrang is zo ruim ingevuld dat ook aandelen zonder financieringsfunctie preferent kunnen zijn, terwijl de begrenzing daarvan — de eis dat de voorrang wezenlijk is — alleen in de toelichting en in beleid staat en niet in de wet. Voor de praktijk betekent dat: de kwalificatievraag is verschoven van de statuten naar een discussie met de inspecteur.
Daar komt de ontkoppelde invoering bij. Het begrip preferent aandeel is verruimd, terwijl het bredere bouwwerk waarin dat begrip een afgebakende functie zou krijgen, wegens staatssteunrisico’s in de wachtkamer staat. Wie nu een structuur beoordeelt, moet dus rekening houden met twee regimes: het geldende, en het regime dat bij koninklijk besluit alsnog kan intreden.
Op één punt nemen wij een standpunt in dat verder gaat dan wat uit de bronnen rechtstreeks volgt. Naar onze lezing raakt het van kleur verschieten van aandelen door toedoen van een medeaandeelhouder de voortzettingseis niet, zolang de aanspraak van de verkrijger zelf op toekomstige winsten en waardeontwikkelingen niet wordt beperkt: art. 35e, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, SW 1956 knoopt aan bij een beperking van díé aanspraak. Wordt de verkrijger daarentegen zelf relatief achtergesteld, bijvoorbeeld doordat op de aandelen van een ander agio wordt gestort, dan ligt dat wezenlijk anders. Bevestiging in wet, beleid of rechtspraak ontbreekt op dit moment. Rechtspraak over de nieuwe definitie is er nog niet, en gezien de doorlooptijd van procedures zal die er voorlopig ook niet zijn. Uitkomsten zijn daarom afhankelijk van de feiten en van het standpunt van de inspecteur; garanties zijn niet te geven.
Praktijktip: leg de uitgangspositie nu vast
Breng vóór een voorgenomen schenking of herstructurering per aandelensoort in kaart hoe nominaal kapitaal, agio en winstreserves zijn verdeeld, en leg die stand schriftelijk vast.
Maak daarnaast afspraken tussen de aandeelhouders over dividenduitkeringen en agioterugbetalingen gedurende de bezits- en de voortzettingstermijn. De statuten alleen zijn niet voldoende: de feitelijke verhoudingen bepalen mede of sprake is van voorrang.
9. Veelgestelde vragen
Zijn mijn letteraandelen nu automatisch preferent?
Nee. Letteraandelen die uitsluitend dienen om per aandeelhouder een eigen dividendpolitiek te kunnen voeren, zijn niet preferent zolang de aan de soorten verbonden reserves in verhouding tot het nominale kapitaal gelijk oplopen. Het probleem ontstaat pas als die verhouding scheefgroeit.
Wat als mijn aandelen vóór 2026 zijn beoordeeld?
Een eerdere beoordeling zegt niet zonder meer iets over de kwalificatie onder de nieuwe definitie. Vooral bij aandelen die volledig meedelen in de winst maar wel een vorm van voorrang kennen, bijvoorbeeld bij liquidatie, kan de uitkomst zijn omgeslagen.
Geldt de definitie ook voor de inkomstenbelasting?
Ja. Art. 4.17a, veertiende lid, Wet IB 2001 bevat dezelfde omschrijving voor de doorschuifregeling bij vererving, en via art. 4.17c werkt zij door naar de schenkingsvariant. Een aandeel dat voor de BOR gedeeltelijk preferent is, is dat dus ook voor de DSR.
Kan een preferent geworden aandeel weer gewoon worden?
Dat is denkbaar, bijvoorbeeld door het agio tussen de soorten gelijk te trekken. De Belastingdienst noemt die mogelijkheid uitdrukkelijk. Let er wel op dat een handeling die daarvoor nodig is, tijdens een lopende voortzettingstermijn zelfstandig gevolgen kan hebben; laat dat vooraf beoordelen.
Wat gebeurt er met tracking stocks?
Die zijn nog niet uitgesloten, omdat de betreffende maatregel niet in werking is getreden. Voor de toerekening van ondernemingsvermogen bij tracking stocks heeft de Belastingdienst in mei 2026 twee standpunten gepubliceerd. Dit onderwerp verdient een eigen behandeling.
Port Sight Tax begeleidt jouw bedrijfsopvolging
Of aandelen preferent zijn, is zelden een kwestie van één blik in de statuten. Het is een rekensom over kapitaal en reserves per aandelensoort, met een beoordeling van de feitelijke situatie daarnaast. Wij beoordelen die vraag voor familiebedrijven, DGA’s en hun accountants en notarissen, bij voorkeur ruim voordat een schenking wordt geëffectueerd.
- Kwalificatie van bestaande letter-, cumpref- en soortaandelen onder de definitie per 2026
- Berekening van het preferente en het niet-preferente deel van hybride aandelen
- Structurering en begeleiding van gefaseerde bedrijfsopvolgingen
- Bewaking van de bezits- en voortzettingstermijn, inclusief afspraken tussen aandeelhouders
- Vooroverleg en correspondentie met de Belastingdienst
Neem vrijblijvend contact op voor een oriënterend gesprek.
Veelgestelde vragen over dit onderwerp
Nee. Letteraandelen zijn niet automatisch preferent. De kwalificatie hangt af van de statutaire rechten én de feitelijke verhouding tussen kapitaal, agio en reserves per aandelensoort.
Ja. Sinds 1 januari 2026 kan alleen het deel van het aan een aandeel verbonden vermogen dat voorrang heeft als preferent gelden. Het niet-preferente deel kan onder voorwaarden voor BOR en DSR blijven kwalificeren.
Ja. Dezelfde definitie geldt in de Wet IB 2001 voor de doorschuifregeling. Een aandeel dat voor de BOR gedeeltelijk preferent is, is dat in beginsel ook voor de DSR.
Noah Sahit
Noah Sahit is a passionate tax specialist who will further specialize in the field at Port Sight Tax. After various experiences at tax consultancy firms, Noah was the first PST member to dock his ship with our firm. This' home-grown 'tax specialist combines technical knowledge with a strong dose of Gen-Z office skills and humour.
Vrijblijvend Adviesgesprek
Meer weten over dit onderwerp? Boek een gratis consult met een van onze specialisten.


