
Belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting hoeven niet langer 8% belastingrente te betalen.
De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 geoordeeld dat de verhoging van het belastingrentepercentage naar minimaal 8% voor de vennootschapsbelasting in strijd is met de wet. Deze selectieve renteverhoging is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel en moet buiten toepassing blijven. Concreet betekent dit dat de belastingrente voor vennootschapsbelasting over de jaren 2022-2023 wordt verlaagd naar 4%, hetzelfde percentage dat gold voor andere belastingen. Veel ondernemingen kunnen hierdoor aanspraak maken op teruggave van te veel betaalde rente, terwijl de Belastingdienst rekening houdt met een aanzienlijke derving (geschat €1,3 miljard voor de schatkist). Hieronder lichten wij deze uitspraak toe en bespreken we de gevolgen en mogelijkheden voor ondernemers.
Inhoud
Achtergrond: waarom 8% belastingrente voor de Vpb?
Belastingrente is de rente die de Belastingdienst in rekening brengt als een aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting (Vpb) te laat of voor een te laag bedrag wordt vastgesteld. Het systeem is bedoeld om te voorkomen dat belastingplichtigen “renteloos” bij de fiscus kunnen uitstellen of onderbetalen, en omgekeerd om hen te compenseren als de Belastingdienst te laat terugbetaalt. Tot 2014 was het rentepercentage voor alle belastingen gelijk aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties (consumenten), met een minimum van 4%. Echter, vanaf 2014 besloot de wetgever het percentage voor vennootschapsbelasting te koppelen aan de hogere wettelijke handelsrente (die geldt in het handelsverkeer) met een minimum van 8%. Deze verhoging was voornamelijk ingegeven door budgettaire motieven – het leverde de schatkist extra inkomsten op – en moest dienen als extra prikkel voor bedrijven om op tijd en juist aangifte te doen.
Tijdens de COVID-19-pandemie werd de belastingrente tijdelijk verlaagd (zelfs naar 0,01% in 2020) om belastingplichtigen tegemoet te komen. Vanaf 1 januari 2022 echter gold weer de oude situatie en werd de Vpb-rente opnieuw 8%, terwijl voor andere belastingen het lagere tarief (wettelijke rente voor niet-handelstransacties, minimaal 4%) van kracht bleef. Deze discrepantie tussen vennootschapsbelasting en andere belastingen leidde tot veel kritiek vanuit het bedrijfsleven en de fiscale gemeenschap. Ondernemers – vooral mkb-bedrijven en familiebedrijven – voelden zich benadeeld doordat zij dubbel zo hoge rente betaalden als particulieren in de inkomstenbelasting, zonder duidelijke rechtvaardiging.
Een concrete zaak diende bij de Rechtbank Noord-Nederland in 2024: een bv kreeg bij een voorlopige aanslag Vpb over 2021 een rente van 8% opgelegd. De rechtbank oordeelde dat deze selectieve renteverhoging in strijd was met algemene rechtsbeginselen, met name het evenredigheidsbeginsel (proportionaliteit). De rechter stelde vast dat een materiële belastingschuld van een ondernemer niet te vergelijken is met een handelsvordering, en achtte het onredelijk dat uitsluitend Vpb-plichtigen zo’n hoog rentepercentage moesten betalen. De bepaling in het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) die de 8% regelde, werd onverbindend verklaard. Dit vonnis was baanbrekend en veroorzaakte een stroom van bezwaarschriften van andere ondernemingen die ook 8% rente in rekening hadden gekregen.
De uitspraak van de Hoge Raad
De staatssecretaris van Financiën ging in sprongcassatie direct naar de Hoge Raad, gezien het grote aantal getroffen gevallen. Ook werd de zaak aangemerkt als massaal bezwaar, zodat de uitkomst meteen zou gelden voor alle vergelijkbare bezwaren. Op 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond verklaard en de lijn van de rechtbank bevestigd. Kort gezegd komt het hoogste rechtscollege tot het oordeel dat de verhoging van de Vpb-belastingrente naar 8% ongeldig is. De betreffende regel in het Bbi is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel en blijft daarom buiten toepassing.
De Hoge Raad benadrukt dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting in wezen gelijke gevallen zijn ten opzichte van andere belastingplichtigen als het om belastingrente gaat. Er is geen redelijke rechtvaardigingsgrond om hen een hoger rentepercentage aan te rekenen dan anderen. Hoewel de formele wet de delegatie toeliet om verschillende rentetarieven te stellen, moet dergelijke lagere regelgeving voldoen aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In dit geval diende de 8%-maatregel voornamelijk een budgettair doel – extra inkomsten genereren – en ontbrak een inhoudelijk overtuigend doel dat zo’n zware last voor uitsluitend vennootschapsbelastingplichtigen kon rechtvaardigen. Een zuiver op de schatkist gerichte lastenverzwaring die één groep selectief treft, is onevenredig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus de Hoge Raad.
Interessant is dat de Hoge Raad hiermee niet volgt dat de maatregel ultra vires (buiten de bevoegdheid) zou zijn – formeel bleef de besluitgever binnen zijn delegatiemarge – maar juist materieel toetst op redelijkheid en gelijke behandeling. Ook het argument van de overheid dat ondernemers de hoge rente kunnen vermijden door tijdig voorlopige aanslagen te vragen of correct aangifte te doen, werd verworpen. Zelfs als een last theoretisch vermijdbaar is, mag deze niet onevenredig zwaar zijn ten opzichte van het doel. Dat voor teruggaaf van Vpb-belastingrente eveneens 8% zou gelden, vond de Hoge Raad geen voldoende rechtvaardiging, temeer daar rentevergoeding in de Vpb slechts sporadisch voorkomt.
Conclusie: De 8%-regel gaat van tafel. Voor deze specifieke zaak – en alle gelijkaardige gevallen – betekent dit dat de belastingrente herberekend wordt tegen het algemene percentage dat voor andere heffingen geldt. In de jaren 2022 en 2023 was dat 4% (minimumpercentage voor niet-handelstransacties). Dit resultaat zorgt ervoor dat er geen ongerechtvaardigde, selectieve lastenverzwaring voor ondernemers overblijft.
Gevolgen en financiële impact
Deze uitspraak heeft grote financiële en praktische gevolgen voor zowel ondernemingen als de overheid. Voor ondernemers die in 2022, 2023 of daarna te maken hebben gehad met een aanslag vennootschapsbelasting waarbij 8% rente in rekening is gebracht, zal in principe een rentecorrectie naar 4% plaatsvinden. De Belastingdienst moet namelijk in alle lopende bezwaarzaken de teveel berekende rente terugbrengen tot het normale niveau. In het kader van de massaal-bezwaarprocedure is aangekondigd dat binnen zes weken collectief uitspraak op bezwaar zal worden gedaan en dat de inspecteur vervolgens zes maanden de tijd krijgt om de rente op de desbetreffende aanslagen te verminderen. Ondernemingen die tijdig bezwaar maakten tegen de rente, kunnen dus een teruggaaf van 4% renteverschil verwachten over de betreffende periode.
Maar wat als u géén bezwaar heeft gemaakt tegen een inmiddels definitieve aanslag met 8% rente? In dat geval is automatische vermindering niet gegarandeerd. Omdat de Hoge Raad de regel onverbindend heeft verklaard, zou men kunnen betogen dat niemand aan de 8% rente gehouden mag worden. Toch is het gebruikelijk dat zonder tijdig bezwaar een aanslag onherroepelijk vaststaat. Er zijn nog mogelijkheden om een ambtshalve vermindering te verzoeken bij de Belastingdienst, waarbij deze uitspraak als nieuw feit wordt aangevoerd. Onze ervaring leert dat de fiscus in principe de lijn van massaal bezwaar volgt; daarom is het raadzaam om individueel advies in te winnen over de kansen op teruggaaf als u niet aangesloten was bij de collectieve procedure.
Vooruitkijkend zal voor vennootschapsbelasting vanaf nu het reguliere rentepercentage gelden, net als bij andere belastingen. Dat wil zeggen: de wettelijke rente voor niet-handelstransacties met een minimum (4% in 2022-2023, en sinds 2024 een minimum van 4,5% onder de nieuwe rekenmethode). De Hoge Raad heeft expliciet opgemerkt dat deze percentages (inclusief de minima) niet onrechtmatig zijn. Ondernemers hoeven dus niet te verwachten dat belastingrente volledig verdwijnt – het blijft belangrijk om tijdig aangifte te doen en voorlopige aanslagen up-to-date te houden om rente te voorkomen. Echter, de rente die eventueel toch in rekening wordt gebracht, is nu op een eerlijker en lager niveau genormeerd. Dit scheelt al gauw de helft van de rentelast vergeleken met de voorgaande 8%. Voor veel bedrijven kan dit honderden tot honderdduizenden euro’s aan besparing of teruggaaf betekenen, afhankelijk van de omvang van de aanslag en de rentetermijn.
Neem contact op voor advies
Het arrest van de Hoge Raad biedt ondernemingen kansen om te besparen en eventueel eerder betaalde bedragen terug te vorderen. Het is belangrijk om geen geld te laten liggen. Onze fiscalisten staan voor u klaar om uw situatie te beoordelen. Heeft u vragen over wat deze uitspraak concreet voor uw bedrijf betekent, of wilt u weten of u in aanmerking komt voor teruggaaf van belastingrente? Neem dan gerust contact met ons op voor een persoonlijk advies.
Vindplaats: Hoge Raad 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59)
Veelgestelde vragen over dit onderwerp
Omdat de verhoging in strijd is met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel en uitsluitend vennootschapsbelastingplichtigen zwaarder belastte zonder voldoende rechtvaardiging.
Voor de jaren 2022 en 2023 wordt de belastingrente voor de vennootschapsbelasting verlaagd naar 4%, gelijk aan andere belastingen.
Ondernemingen die tijdig bezwaar hebben gemaakt, krijgen het teveel betaalde renteverschil terug. Zonder bezwaar is mogelijk nog een ambtshalve vermindering aan te vragen.
Xander Wamelink
Xander is een ervaren btw-specialist met een lange staat van dienst in de indirecte belastingen.
Vrijblijvend Adviesgesprek
Meer weten over dit onderwerp? Boek een gratis consult met een van onze specialisten.


